De historie van Steenwijk in de 15e, 16e, 17e, 18e en 19e eeuw.

Inleiding Deze korte schets van de belangrijkste geschiedkundige feiten en gebeurtenissen van Steenwijk is vooral bedoeld om een beeld te schetsen van de omstandigheden, waarin mijn uit Steenwijk afkomstige voorouders geleefd moeten hebben. De informatie hier gepubliceerd is gebaseerd op de vele officiële publicaties over Steenwijks geschiedenis en haar bewoners. Zie voor een uitgebreide bibliografie de site van de bibliotheek van Steenwijk www.bibliotheekSteenwijk.nl. Zie voor deze schets de bronnen-pagina.

Voorgeschiedenis

Steenwijk is gelegen op de uitloper van de Bisschopsberg. Reeds vanaf het begin van onze jaartelling is er bewoning op deze plaats vlak bij een doorwaadbare plek in het riviertje de Aa geweest. De eerste bewoners zijn waarschijnlijk uit de Drentse hoog gelegen gronden naar Steenwijk gekomen. Ze oefenden hier o.a. veeteelt en landbouw uit en woonden veilig op zo'n 3 tot 5 meter boven de toenmalige waterspiegel. Omstreeks 900 stond er op de plaats van de Sint Clemens-kerk al een houten kerkgebouw. Steenwijk was in de vroege eeuwen van onze jaartelling de meest westelijke toegangspoort naar Noord Nederland en met name Friesland. Deze strategische ligging was gunstig voor de economische ontwikkeling van Steenwijk, maar maakte Steenwijk ook een plaats voor het strijdtoneel. Bestuurlijk gezien maakte Steenwijk deel uit van het gewest het Land van Vollenhove. Dit deel van Noord Nederland was door Keizer Otto I in 944 aan bisschop Balderik van Utrecht in leen gegeven. Het was dan ook Balderik of een van zijn opvolgers die Steenwijk gesticht moeten hebben. Steenwijk kon zo een bolwerk worden tegen de dreiging van de Drenten en de Friezen. De Sint Clemens-kerk was al in 1141 door de bisschop Hardbert als kapittelkerk aangewezen voor het land van Vollenhove, als onderdeel van de abdij van Ruinen. Vanuit de kapittelkerk werden parochies gesticht in Friesland en Drenthe. Omdat de macht van de bisschoppen nogal eens aan erosie onderhevig was werd in 1229 een troepenmacht gestationeerd in Steenwijk onder leiding van bisschop Wilbrand van Oldenburg. Deze moest het hoofd bieden aan Drentse edelen uit het Oversticht die genoeg hadden van de macht van de bisschop. Steenwijk had toen nog geen verdedigingswerken, maar daar is kennelijk in de 13e eeuw toch verandering in gekomen. In 1295 werd nl. voor het eerst melding gemaakt van een versterkte plaats, daarbij moet gedacht worden aan een aarden wal en/of enkele houten palissaden.

14e eeuw

Het was de Bisschop van Utrecht die belangrijke privileges aan Steenwijk verstrekte. In 1327 bevestigde bisschop Jan van Diest de stadsrechten en in 1358 werd het recht verkregen tot het houden van een viertal jaarmarkten en een weekmarkt. Deze markten zorgden ervoor dat Steenwijk uitgroeide tot een handelscentrum voor het land van Vollenhove, Zuidwest Drenthe en Zuidoost Friesland. Ondanks de doorlopende vijandelijkheden tussen de bisschoppen en de Friezen bleef Steenwijk kennelijk gespaard voor het krijgsgeweld.

15e eeuw

Steenwijk was tot het begin van de 15e eeuw slechts omgeven door een aarden wal en palissaden en een drietal stenen poorten. Zo bestond in 1412 al de Meijeringepoort (later Gasthuispoort). De verdedigingswerken werden in deze eeuw echter uitgebreid. Men begon met de aanleg van een gracht aan de zuidwestzijde, aan de noordkant was de gracht tamelijk ondiep en aan het eind van de 15e eeuw niet in al te beste staat. Ook werd de St. Clemens-kerk in steen opgericht en in 1500 afgebouwd. Sinds het midden van deze eeuw was Steenwijk onderdeel geworden van het bezit van het Oostenrijkse vorstenhuis de Habsburgers. Door het huwelijk van Filips de Schone met de Spaanse koningsdochter Johanna waren grote delen van Europa onder één koningschap bij elkaar gebracht. Hun zoon Karel kreeg uiteindelijk de Nederlanden, Oostenrijk, Spanje en Italië in een hand.

16e eeuw

De installatie van Karel V zorgde voor vele schermutselingen rond Steenwijk. Door de geografische ligging was Steenwijk de toegangspoort naar Friesland; een gebied dat Karel V onder zijn gezag wilde brengen. Hij werd daarin echter krachtig tegengewerkt door de hertog Karel van Gelre. In 1522 werd door Cornelis van Meurs een poging gedaan het stadje in te nemen, vijfhonderd soldaten lieten het leven, maar slaagden er niet in Steenwijk te veroveren. Het was uiteindelijk Maarten van Rossem die Steenwijk op 20 september 1523 veroverde voor de Gelderse hertog. Bij deze verovering werd het hele stadje in de as gelegd, en vluchtte de gehele bevolking. Bij de stadsbrand ging ook het stadsarchief in vlammen op; hierdoor is er weinig in geschrift te vinden over Steenwijk in de vroege middeleeuwen. De Gelderse bezetting duurde echter niet lang, al op 4 november 1523 wist Karel V Steenwijk te heroveren en voegde het onder het gezag van de stadhouder van Friesland George Schenck van Toutenburg. Na 1523 werden het stadje en de verdedigingswerken weer opgebouwd, maar bij het sluiten van de vrede in 1528 werd de opbouw van de verdedigingswerken echter weer stop gezet. In 1528 was de positie van de Gelderse hertogen zo verzwakt dat ze vrede sloten met Karel V. In dat jaar droeg ook de bisschop van Utrecht zijn wereldlijke macht over aan de keizer en werd Steenwijk bestuurlijk weer onderdeel van Overijssel. Het duurde nog tot 1543, toen bij het Verdrag van Venlo ook Gelre overgedragen werd aan de Habsburgers, voordat er werkelijk een einde kwam aan de schermutselingen. Ook deze periode van betrekkelijke rust en vrede duurde echter niet lang. In 1555 droeg Karel V zijn gezag over de Nederlanden over aan zijn zoon Filips, die in 1556 koning van Spanje werd. De onder Karel V ingezette bestuurlijke hervormingen werden echter door de adel van de Nederlanden niet gewaardeerd; zij werden ernstig gekort in hun privileges en waren verantwoording schuldig aan de inmiddels benoemde landvoogdes Margaretha van Parma. Willem van Oranje wierp zich op als leider van de Nederlandse adel tegen de Spaanse koning. Hij vooral verzette zich ook sterk tegen de Spaanse maatregelen tegen verspreiding van de ideeën van de Reformatie. Nadat dit verzet, tegen corruptie van de katholieke kerk en de harde aanpak van het Spaanse bewind, jarenlang gesluimerd had kwam het in augustus 1566 tot een uitbarsting, die in Zuidwest Nederland begon en zich als een olievlek uitbreidde. De Beeldenstorm woedde ook in Steenwijk; een groot deel van de pracht van de St. Clemens-kerk werd onherstelbaar vernield. De kerk die pas in 1500 klaar was gekomen met zijn 86 meter hoge toren had al in 1558 bij een grote storm zijn spits verloren. Het zou zelfs tot 1914 duren voordat deze herbouwd werd! De Nederlandse Opstand zorgde ervoor dat Filips de Spaanse hertog Alva met een 10.000 man sterk leger naar de Nederlanden zond. De Tachtigjarige Oorlog (1568 - 1648) maakte dat Steenwijk veelvuldig in beeld kwam in de vaderlandse geschiedenis. In 1568 wist het stadsbestuur de inkwartiering van Spaanse troepen door hertog Alva nog af te kopen met 112 goudgulden, maar in 1572 namen de spanningen weer toe. Ditmaal was het Willem van den Bergh die Steenwijk voor Willem van Oranje veroverde. Deze Staatse bezetting duurde echter slechts een paar maanden. De herovering van Zutphen door het Spaanse leger deed zulke gruwelijke berichten vooruitsnellen dat het Staatse leger al snel de stad verliet en Steenwijk weer koningsgezind werd. Tot maart 1577 zorgde een contingent militairen uit Wallonië voor handhaving van het Spaanse gezag. De Staten van Overijssel wisten echter door betaling van achterstallige soldij deze bezettingsmacht weg te krijgen en kozen in maart 1580 de zijde van de Opstandelingen als reactie op het overlopen van de graaf van Rennenberg. Dit keer duurde het acht jaar voordat Steenwijk opnieuw de plaats was voor het strijdtoneel. De Overijsselse Staten hadden gezorgd voor de aanwezigheid van een compagnie soldaten onder leiding van kapitein Olthof. In oktober kwam nog een 2e compagnie onder leiding van Johan van den Cornput in Steenwijk aan. Daags daarna begon de Spaansgezinde Georg de Lalaing, graaf van Rennenberg, met een leger van ruim 7.000 man zijn beleg van Steenwijk op 18 oktober 1580. De beschietingen van november in dat jaar vernietigde een 70-tal woningen en vormden een ware beproeving voor de inwoners van de stad en de kleine verdedigingsmacht van slechts 600 soldaten. Het duurde tot december voordat er hulp kwam van het Staatse leger onder leiding van de Engelse overste John Norritz. 23 februari 1581 gaf graaf Rennenberg, inmiddels zelf zwaar ziek geworden, zijn beleg op en werd Steenwijk ontzet. Dat Steenwijk stand hield gedurende het vier maanden durende beleg was te danken aan het krachtdadige optreden van hopman Johan van den Cornput. De graaf van Rennenberg stierf enkele maanden later en werd begraven in de Martinikerk te Groningen. De uitgeputte Steenwijkers hadden overigens weinig weerstand meer en kregen in 1581 ook nog eens met een pestepidemie te maken. Van de 2.500 inwoners stierven er in korte tijd 2.300. Al in november 1582 wisten de Spanjaarden onder leiding van Juan Baptista de Taxis Steenwijk opnieuw in bezit nemen, waardoor de overgebleven protestanten halsoverkop de stad ontvluchtten. Steenwijk werd een Spaans bolwerk, met nog slechts 50 van de oorspronkelijke bewoners, en vormde een constante bedreiging voor de Opstandelingen. Alleen Zeeland, Holland, Utrecht en Friesland waren niet in Spaanse handen. De dreiging van een herovering door stadhouder Maurits in 1591 zorgde voor een hernieuwde opbouw van de verdedigingswerken van de stad. In korte tijd wisten de Spanjaarden belangrijke verbeteringen aan te brengen en werd de legermacht uitgebreid tot ruim 1.000 man (vnl. Walen en Bourgondiërs) onder leiding van Anthonie de Coquel. Toch was het allemaal niet voldoende. Op 28 mei 1592 verscheen prins Maurits en Willem Lodewijk voor de stad met een leger van 8.000 man en sloot alle toegangswegen hermetisch af. Op 5 juli 1592 na een heftige strijd die 44 dagen duurde gaven de Spanjaarden zich over. Ook nu had Johan van den Cornput belangrijk bijgedragen aan de verovering van Steenwijk door het Staatse leger van Maurits en zijn neef Willem Lodewijk. Al deze oorlogen en bezettingen hadden echter wel hun tol gevergd; Steenwijk was praktisch volledig in puin geschoten en de verdedigingswerken waren aan een forse opknapbeurt toe. Het duurde echter tot 1597, na een mislukte aanval van de Spaansgezinde graaf Frederik van den Bergh, voordat de Raad van State de middelen beschikbaar stelde voor wederopbouw van de verdedigingswerken. Bevolking De oorlogen en de pest hadden een vreselijke tol geëist van de inwoners. In 1593 telde Steenwijk nog maar 100 burgers. Langzamerhand groeide de bevolking echter weer tot zo'n 600 vuursteden in 1599.

17e eeuw


De in 1598 begonnen wederopbouw van de verdedigingswerken van Steenwijk was echter niet van voldoende kwaliteit gebleken, zo constateerde de Raad van State in 1612. Dit leidde tot een contract voor versterking van de stad in 1620, maar opnieuw kwam er van de uitvoering niet veel terecht. In 1627 wees de Raad van State er nogmaals op dat het toegezegde geld bestemd was voor herstel van de verdedigingswerken en dat de stad het dan zelf moest betalen. In 1656 werd door Steenwijk nogmaals om subsidie gesmeekt, en werd opnieuw geld gekregen voor herstel van de stadspoorten. Desondanks verkeerden de verdedigingswerken in een slechte toestand en was de stad nauwelijks verdedigbaar. De 17e eeuw was een tijd van redelijke rust, waarin ook Steenwijk economisch kon groeien. Het was in feite het begin van de "Gouden Eeuw" voor de Nederlanden. Ook het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) heeft bijgedragen tot de economische groei van Nederland. In Amsterdam werd bijv. de VOC opgericht en in Steenwijk kregen we de eerste gilden; het Schoenmakersgilde in 1602 en het Smidsgilde in 1603. De vervening en het transport van turf naar Holland waren van grote betekenis. Het riviertje de Aa dat bij Blokzijl uitmondde in de Zuiderzee was echter slecht bevaarbaar en alleen geschikt voor boten met een geringe diepgang. In de jaren 1626 tot en met 1632 werd het "Nieuwe diep" gegraven, later het Steenwijkerdiep genoemd. Zo konden ook grotere schepen Steenwijk bereiken. Tot 1660 werd zeer intensief gebruik gemaakt van dit water gezien de oplopende pachtinkomsten van het Diep. Na 1660 volgde een tijd van economische neergang die duurde tot 1672. Na 1672 liep het gebruik en de opbrengst van het Steenwijkerdiep nog sterker terug en deze daling ging zelfs door tot 1710. Volgens het Belastingskohier van de 500e penning waren er in 1675 maar 122 gezinnen met een gezamenlijk vermogen van fl 177.000,-- ; er waren ook 112 gezinnen zonder vermogen, afhankelijk van de armenzorg. Aan het eind van de 17e eeuw ontstonden er in Steenwijk diverse spinnerijen en weverijen, die vooral ook met overheidsteun in bedrijf werden gehouden. Zo kwam er bij de vele arme gezinnen toch nog wat geld binnen, met name door kinderarbeid! Deze textielindustrie wist tot midden in 18e eeuw het hoofd boven water te houden. In de tweede helft van de 17e eeuw groeiden er echter ook weer nieuwe onlusten in de regio. In 1665 dreigde de bisschop van Munster, Christoffel Bernard van Galen, Overijssel binnen te vallen. Onder druk van Frankrijk moest hij echter al snel de strijd staken en ontkwam Steenwijk aan een nieuwe bezetting. In 1672 veroverde Lodewijk XIV, dankzij een verbond met de Engelsen en bijstand van de keurvorst van Keulen en de bisschop van Münster, de Republiek der Nederlanden. Ook Steenwijk viel onder bezet gebied en kreeg een bezettingsmacht van Münsterse troepen; zij bleven van 23 juni 1672 tot 6 december 1673 in de stad. In augustus 1673 was Steenwijk het vertrekpunt voor een groot offensief tegen Friesland; ruim 7.000 Franse, Keulse en Münsterse militairen trokken ten strijde onder leiding van baron van Welderen. Ze slaagden niet in hun opzet en in december 1673 namen Hollandse en Friese troepen bezit van Steenwijk. Luitenant-generaal Hans Willem baron van Aylva vestigde met 600 man zijn hoofdkwartier in Steenwijk. Intussen waren de verdedigingswerken van de stad gedeeltelijk vernietigd door de Munstersen en ontbrak het weer aan middelen voor herstel; een verzoek aan de Raad van State om financiële ondersteuning werd niet gehonoreerd en in 1692 dacht het Steenwijker stadsbestuur zelfs aan sloop van de wallen en poorten! Bevolking De verbindingen over water bepaalden ook vaak de herkomst van nieuwe inwoners. In die tijden was de kindersterfte groot en werd men ook niet erg oud; Steenwijk kon alleen groeien door een toestroom van nieuwe inwoners van het platteland. Veel van Steenwijk's inwoners blijken afkomstig van het omringende platteland van Overijssel (45%) (met name het land van Vollenhove (33%)) en Drenthe (19%), maar ook veel uit Holland (10%). Naast deze nieuwe instroom zorgde ook de komst van de vele militairen voor groei van de bevolking. Getuige de registraties in de Trouwboeken blijken vele militairen hun echtgenoten in Steenwijk gevonden te hebben. In 1636 telde Steenwijk weer zo'n 1.100 inwoners. In 1682 telde Steenwijk overigens slechts 1.200 inwoners.

18e eeuw

Aan het eind van de 17e eeuw veranderde de Republiek der Nederlanden de verdedigingsstrategie. Grote delen van het grondgebied werden beschermd door zgn. verdedigingslinies in samenhang met grote waterwegen. Zo werd de IJssel een belangrijke verdedigingslinie, waardoor Steenwijk als vooruitgeschoven post minder belangrijk was en opgegeven kon worden. Hoewel Steenwijk geen plaats meer was voor het strijdtoneel waren er toch regelmatig militairen in de stad. Zo was er in 1715 tot 1716 een deel van het cavalerie regiment van Hessen-Kassel gelegerd en van 1750 tot 1752 een deel van het Regiment Dragonders van Ditfourth. Ook blijken in deze periode veel Steenwijkers als beroepsmilitair in verschillende legers te hebben gediend. Toch had ook Steenwijk te lijdden van de Oostenrijkse Successie Oorlogen (1740 - 1748). In 1784 tot 1787 moest een bataljon infanterie, in opdracht van de Staten van Overijssel, de Patriotttenbeweging in Steenwijk tot de orde roepen. Bestuur Staatkundig traden er in de 2e helft van de 18e eeuw grote veranderingen op. De gegoede burgerij eiste zijn plaats op in politiek en bestuur. Het regentenbestuur dat tot die tijd de macht in handen had gehad moest langzamerhand zijn privileges afstaan. Soms ook werd het geschil gezien als een strijd van Oranje-gezinde protestanten tegen de heersende klasse van overwegend katholieke magistraten die weer grip wilden krijgen op de invloed van de kerk op het maatschappelijke en politieke leven.. Deze conflicten rond 1750 zijn bekend geworden als de "Plooierijen". Zo waren er twee groepen ontstaan die elkaar zelfs met de wapens bestreden. Jurriaen Ariaens de Vos was lid van een door burgemeester Ram opgerichte Compagnie (burgerwacht), die op 16 november 1748 probeerde Harmen Coops Fledderus aan te houden. Harmen Coops wist echter, nadat hij de nodige klappen had gekregen, te ontkomen. Op maandag 2 december 1748 werd Harmen Coops Fledderus in alle vroegte van zijn bed gelicht, en tot zijn verrassing, gearresteerd. Enkele dagen later werd hij snel veroordeeld en opgehangen. Een paar maanden later bracht Jurriaen Ariaens de Vos een dodelijke slag met de sabel toe aan Jan (Tromp) Meesters, ged. Meppel 3-2-1712, grootburger van de stad Steenwijk sinds 3 mei 1737, eekmulder en leerlooier, "gecommitteerde van de Borgeren van 1748", op 17 februari 1749. Jan (Tromp) Meesters overleed drie dagen later (20 febr. 1749) en Jurriaen vluchtte naar Amsterdam. In juli/aug. 1750 werd Jurriaen Arieans de Vos alsnog gearresteerd als moordenaar. Economie De landbouw en veeteelt vormde in deze eeuw nog een belangrijk deel van de economie van de marktplaats Steenwijk. De invloed van de gevreesde blaarziekte (Mond-en KlauwZeer) was dan ook fors. Zo verloren in 1716/1717 201 runderen het leven, terwijl in 1724 de veestapel van Steenwijk slechts 216 koeien groot was. In 1769 sloeg de ziekte weer toe en stierven 222 runderen. Het was toch vooral de handel- en het transport van turf, hout, leerproducten en stenen, die de economische welvaart bepaalden. In 1750 waren er overigens maar 79 gezinnen met een gezamenlijk vermogen van fl 162.896,--; de overige 165 gezinnen waren onvermogend en dus aangewezen op de armenzorg. De textielindustrie die zich tot het midden van de 18e eeuw redelijk wist te handhaven, moest uiteindelijk in 1780 alle bedrijven sluiten. De textielindustrie was inmiddels verplaatst naar Twente. Bevolking Blijkens de Volkstelling van 1748 telde Steenwijk 1.408 inwoners. In 1795 telde Steenwijk 1.671 inwoners.
 

19e eeuw

De grote werkloosheid na de Franse tijd probeerde men aan te pakken door het stichten van landbouwkolonies. Zo werd in 1818 door generaal Johannes van den Bosch (1780-1844), met steun van Koning Willem I, de Maatschappij van Weldadigheid opgericht. In het grensgebied van Friesland, Drenthe en Overijssel werd door werklozen uit de grote steden, de ontginning van woeste gronden ter hand genomen. Ook veel weeskinderen belanden zo in deze streek; in 1820 werden alle stadswezen van Dordrecht overgebracht naar Frederiksoord. Hoewel de kolonisten in isolatie leefden en werkten, met bijv. eigen winkels en een eigen muntstelsel (tot 1859), werden langzamerhand toch meer kontakten gelegd met de oorspronkelijke streekbewoners. Veel westerlingen gingen zo op in de bevolking van deze regio en wisten hun weg te vinden in de vrije maatschappij. Aan het eind van de 19e eeuw kwam overigens een eind aan de isolatie van de kolonies.
Veenarbeiders en hun beloning
Tussen 1830 en 1880 waren de lonen voor de veenarbeiders praktisch gelijk gebleven. Na een aanvankelijke stijging was tegen 1890 de beloning zelfs gehalveerd. In 1888 brak dan ook een langdurige staking uit onder de veenarbeiders tegen de uitbuiting door de veenbazen. De staking strekte zich uit tot vrijwel het hele gebied van Friesland, Drenthe en Overijssel. De tabaksindustrie bestond al langer in Steenwijk, waren het in het begin van de 19e eeuw vooral kleinschalige tabakskerverijen, tegen het eind van de 19e eeuw werden de zaken ook technisch beter aangepakt en ontstonden de grotere sigarenmakerijen als de "Witte Raaf"en "De Tabaksplant". Tot 1890 werd het sigarenmaken vooral door thuiswerkers uitgeoefend. De in 1898 opgerichte sigarenfabriek van Rijkmans bood in 1900 werk aan 133 van de 168 Steenwijker sigarenmakers. In 1906 werd het bedrijf omgezet in 'NV Stoom Tabak- en Sigarenfabriek "De Tabaksplant", voorheen G. Rijkmans en Zn'. De producten o.a. het merk "Titus" werd vnl. afgezet in de omliggende veenderijen en bij de Maatschappij van Weldadigheid, maar ook geëxporteerd naar Indonesië en China. In het begin van de 20e eeuw werkte 40 tot 45% van de werkende bevolking van Steenwijk in de tabaksindustrie De sigarenmakers verenigden zich dan ook in 1899 reeds in een vakbond.
Bevolking De grote werkloosheid en de slechte beloning zorgden ervoor dat veel mensen wegtrokken uit de Noordwesthoek van Overijssel en elders werk gingen zoeken, zo zijn veel mensen naar de textielindustrie in Twente (Enschede) en Duitsland vertrokken. Al sinds 1890 was er een wegtrekbeweging ontstaan vanuit Steenwijkerwold naar Losser.